Van alle schilderkunstig onderlegden Werd Jan Steen met verve afgeschilderd Als iemand die gezegden fraai verbeeldde Het ging zelfs zover dat men een verwilderd En asociaal gezin dat hij penseelde Spreekwoordelijk zijn 'huishouden' ging noemen
Het schildersgilde schrok van zoveel weelde En gilde dat geen mens zich mocht beroemen Op misbruik en verdraaiing van gezegden
De schilder sprak, beschaamd tot op de vezel "Een Steen stoot zich niet tweemaal aan zijn ezel"