Van op de hoge brug onder de kroonlantaren Is alles, nu gezien, zo anders dan het was Toen wij den tragen avond gingen tegenvaren Of spraakloos onder de elze zaten in het gras
De Leie en lijkt ons maar een landelijk rivierken Een wandelende streep, en wat traag water toe Met aan iederen draai een waaiend populierken Een half-verdronken ponte, een schilder en een koe
Hier langs de straten is 't zo triestig en het regent Maar ginder is de nieuwe maan al opgestaan Waarom nu elk van u de Leie niet gezegend Meneer van de Woestijne heeft het voor-gedaan
Of wist ge't niet: dat Jezus 't veer kwam overzetten (De lelie drijft, alwaar zijn riemslag heeft verpoosd) En dat men tot zijn glorie, onder de glorietten Des zondags aan een matig prijsken paling roost